Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aan appellant, beginnende zelfstandige, is bijstand verleend voor de kosten van levensonderhoud gedurende een periode van 6 maanden. Nadien stelt het College op basis van art. 21 BZ het definitieve bijstandsbedrag vast. Hierbij is als uitgangspunt gekozen het boekjaar zoals deze blijkt uit de door app verstrekte jaarrekening. Appellant wenst evenwel een ander, voor hem gunstiger, boekjaar. Naar het oordeel van de Raad is dit ten onrechte. Uit het vennootschapscontract blijkt duidelijk voor welk boekjaar (in casu kalenderjaar) is gekozen en ook de ingediende jaarrekening is hiermee in overeenstemming. Weliswaar wordt bij de toepassing van het BZ aangesloten bij het door de betrokkene gekozen boekjaar doch uit de stukken blijkt niet dat door appellant gekozen is voor een ander boekjaar dan het kalenderjaar. Voorts is bij de bepaling van het inkomen van appellant terecht rekening gehouden met een bedrag in verband met het privé-gebruik van een bedrijfsauto. Voor de bepaling van de hoogte van het inkomen moet worden uitgegaan van de keuze die appellant zelf heeft gemaakt in het kader van de geldende fiscale wetgeving. Hierbij is rekening gehouden met een autokosten forfait van 20%. Voorts kan op grond van art 4.4 BLN geen rekening worden gehouden met het bedrag van het eigen risico van een ziektekostenverzekering. Voorzover het bestreden besluit betrekking heeft op terugvordering moet dit worden vernietigd, aangezien hier de burgerlijke rechter bevoegd is.

Uitspraak



ABW 1994/452

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Commissie Sociale Zekerheidsgeschillen van de provincie Noord-Holland,

gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij beschikking van 14 mei 1992 is namens het College van burgemeester en

wethouders van de gemeente [woonplaats] (hierna: het College) op grond van

artikel 21 van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen (BZ) een nadere

beslissing genomen met betrekking tot de aan appellant over de periode van

1 augustus 1991 tot en met 31 december 1991 in de vorm van een renteloze

lening verstrekte periodieke bijstand voor de kosten van levensonderhoud

en bepaald dat een bedrag groot f 4.872,68 dient te worden terugbetaald.

Beslissende op het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift heeft

het College bij beslissing van

6 november 1992 de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

Bij besluit van 10 juni 1994 heeft gedaagde het door appellant tegen de

hiervoor vermelde beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Door appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen

dit besluit bij de Raad beroep ingesteld.

Namens gedaagde is als verweer aangevoerd dat het gestelde in het

beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van nadere opmerkingen.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 1995 waar appellant in

persoon is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr Th.J.A.

Janssen, werkzaam bij de provincie Noord-Holland. Het College, als partij

aan het geding deelnemend, heeft zich laten vertegenwoordigen door drs N.

Pavelková, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. MOTIVERING

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 3 juli 1991 op grond van het BZ een aanvraag ingediend

om bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het

bestaan. Deze aanvraag hield verband met het feit dat appellant op

1 augustus 1991 als vennoot is toegetreden tot de vennootschap onder firma

[S. ] samen met

[P. ] en [R. ], welke laatste het bedrijf in

1988 is begonnen als een eenmanszaak.

Bij beschikking van 17 december 1991 is appellant als beginnend zelfstandige

op grond van artikel 24, derde lid, in verbinding met artikel 15 van

het BZ ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan

bijstand in de vorm van een renteloze lening verstrekt voor een

periode van 6 maanden, derhalve van

1 augustus 1991 tot 1 februari 1992. Bij deze beschikking is tevens aangegeven

dat op grond van artikel 21 van het BZ het definitieve bijstandsbedrag

wordt vastgesteld zodra het inkomen uit bedrijf of beroep over het

boekjaar, waarop de uitkering betrekking heeft, aan de hand van de

jaarrekening kan worden bepaald.

Bij brief van 13 februari 1992 heeft appellant de door een administratiebureau

over de periode 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1991

opgestelde rekening van verlies en winst toegezonden.

Vervolgens is bij beschikking van 12 mei 1992 op grond van artikel 21 van

het BZ een nadere beslissing genomen met betrekking tot de aan appellant

over de periode van

1 augustus 1991 tot en met 31 december 1991 in de vorm van een renteloze

lening verstrekte periodieke bijstand voor de kosten van levensonderhoud,

en bepaald dat een bedrag groot, f 4.872,68 dient te worden terugbetaald.

In het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift voert appellant aan

dat het boekjaar ten onrechte is vastgesteld op 1 augustus 1991 tot 1

januari 1992. Hij is op 1 augustus 1991 als zelfstandige begonnen en het

bedrijf heeft tot 1 januari 1992 winst gemaakt. De eerste maanden van 1992

heeft het bedrijf verlies geleden. Naar zijn mening dient het boekjaar te

lopen van 1 augustus 1991 tot 1 augustus 1992, hetgeen hij, zo wordt

gesteld, ook aan de Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD) heeft verzocht.

Appellant is voorts van mening dat zijn inkomen ten onrechte is verhoogd

met een forfaitair percentage in verband met het privé-gebruik van een

bedrijfsauto. Tenslotte voert appellant aan dat bij de hoogte van de door

hem betaalde premie voor zijn ziektekostenverzekering ten onrechte geen

rekening is gehouden met de hoogte van het zogeheten eigen risico.

Bij beslissing van 6 november 1992 heeft het College de bezwaren van

appellant ongegrond verklaard. Hierbij is onder meer het volgende

overwogen:

"Ingevolge het bepaalde in artikel 21 van het BZ

nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot

de in een jaar verleende bijstand in de vorm van een renteloze geldlening.

Daartoe wordt het inkomen uit bedrijf definitief vastgesteld aan de

hand van de jaarrekening. Indien de jaarnorm, verminderd met de in het

desbetreffende jaar behaalde inkomsten minder is dan de reeds verleende

bijstand, wordt een bedrag ter grootte van het verschil teruggevorderd. Uit

het bepaalde in dit artikel blijkt dat het inkomen op jaarbasis in

aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de definitieve bijstand.

De door u gegeven argumenten vormen geenszins aanleiding om het boekjaar

alsnog te wijzigen. In het samenwerkingscontract werd afgesproken het

boekjaar gelijk te laten lopen met het kalenderjaar; bovendien is dit naar

de belastingdienst toe ook als zodanig gehandhaafd.

Wij menen dat een eenmaal gekozen stelsel van winstberekening in principe

bestendig dient te worden gevolgd en niet kan worden vervangen door een

ander stelsel, teneinde een incidenteel voordeel of een hogere uitkering te

behalen.

Ten aanzien van de autokosten hebben wij het volgende overwogen.

Blijkens de bepalingen in de belastingwetgeving bestaat de mogelijkheid om

af te wijken van de 20%-regeling terzake van autokosten, indien door de

zelfstandige door middel van een kilometeradministratie wordt aangetoond

dat er privé voor minder dan 1000 km. per jaar wordt verreden. Wij achten

het ook voor de berekening van de definitieve bijstand krachtens het BZ

aanvaardbaar deze regel toe te passen. Het behoort immers niet zo te zijn

dat zelfstandigen, die bijstand op grond van dit besluit ontvangen, op

kosten van de gemeenschap (door middel van bijstandsverlening) privé in

een auto kunnen rijden. Nu gebleken is dat een administratie als voornoemd

niet is bijgehouden door uw bedrijf, kan niet worden vastgesteld of het

bedrag van

f 15.297,76 louter zakelijk is verreden. Derhalve kan voor de vaststelling

van de definitieve bijstand met het forfaitair bedrag van f 4.288,-- geen

rekening worden gehouden en dienen de autokosten te worden

gehandhaafd op f 11.009,76.

Ten aanzien van de kosten eigen risico ziektekosten hebben wij overwogen

dat u bewust heeft gekozen voor een lagere ziektekostenverzekeringspremie

en hiermee een eigen risico aanvaard. In verband met deze omstandigheid

zien wij dan ook geen aanleiding om dit eigen risico te compenseren via het

BZ.".

Het tegen deze beslissing ingestelde beroep heeft gedaagde bij besluit van

10 juni 1994 ongegrond verklaard, hierbij onder meer het volgende

overwegende:

"In bezwaar en beroep voert u aan dat u de GSD hebt

verzocht om het boekjaar te laten lopen van

1 augustus 1991 tot 1 augustus 1992, omdat u in de eerste helft van de

periode met uw onderneming een winst hebt behaald en in de tweede helft een

verlies, waardoor u een lager inkomen zou hebben behaald.

Omtrent het vorenstaande hebben wij het volgende overwogen. Uit de nota van

toelichting op het BZ blijkt dat het inkomen uit bedrijf of beroep wordt

vastgesteld over een boekjaar. Dit boekjaar behoeft niet samen te vallen

met kalenderjaar. In het BZ wordt volgens de nota van toelichting

aangesloten bij het boekjaar waarvoor de zelfstandige heeft gekozen.

Ingevolge artikel 8.1 van de overgelegde vennootschapsovereenkomst valt het

boekjaar samen met het kalenderjaar, met uitzondering van het eerste jaar,

welk boekjaar loopt van aanvang vennootschap tot einde kalenderjaar.

Wij zijn dan ook van oordeel dat u zelf hebt gekozen voor aansluiting van

het boekjaar bij het kalenderjaar. Onzes inziens heeft de gemeente bij de

vaststelling van uw inkomen juist gehandeld door het in 1991 behaalde

inkomen als uitgangspunt te nemen, daar dit aansluit bij de door uw

vennootschap gemaakte keuze. Uw verzoeken van 10 en 13 april 1992 om het

boekjaar te laten lopen van 1 augustus 1991 tot 1 augustus 1992, vanwege

het feit dat u in de tweede helft van deze periode verlies heeft geleden,

kan niet tot een ander oordeel leiden. Wij zijn van oordeel dat een eenmaal

gekozen wijze van vaststelling van het boekjaar niet achteraf gewijzigd kan

worden om te bereiken dat een lager bedrag dient te worden terugbetaald.

(....)

Vervolgens voert u aan dat de gemeente ten onrechte geen rekening heeft

gehouden met de fictieve bijtelling in verband met privégebruik van de

zakelijk auto's. Uit de stukken is gebleken dat op de autokosten van de

vennootschap over 1991 ad f 15.297,76 een forfaitair bedrag van f 4.288,-- in

mindering is gebracht.

Dit conform de zogenaamde 20% regeling, inzake privégebruik van zakelijke

auto's. Naar uw mening hebt u in het jaar 1991 minder dan 1000 kilometer

privé gereden, op grond waarvan afgeweken dient te worden van voornoemde

regeling. Met burgemeester en wethouders zijn wij van oordeel dat gezien

het feit dat u geen privé-kilometeradministratie hebt bijgehouden, geen

rekening dient te worden gehouden met de fictieve bijtelling.

Ten aanzien van het eigen risico verbonden aan de ziektekostenverzekering,

voert u aan dat bij de vaststelling van het inkomen ten onrechte geen

rekening is gehouden met het hoge eigen risico dat u hebt voor uw

ziektekostenverzekering. Uit de stukken is gebleken dat u over het jaar

1991 voor f. 178,45 aan ziektekosten heeft gehad. U bent van mening dat

hiermee rekening gehouden dient te worden, daar u door het hoge eigen

risico een lagere maandelijkse premie heeft. Naar ons oordeel biedt het

BZ geen mogelijkheid om gemaakte ziektekosten in geval van een hoog eigen

risico van het inkomen af te trekken. Voorts liggen de door u gemaakte

kosten beneden de gebruikelijke hoogte van het eigen risico, zodat u deze,

ook bij een hogere premie met een lager eigen risico, zelf had moeten

voldoen.

Voorts voert u aan dat u bij de behandeling van uw bezwaarschrift gehoord

had dienen te worden door burgemeester en wethouders of een

adviescommissie. U acht het feit dat u bent opgebeld door een ambtenaar onvoldoende.

Uit de stukken is ons gebleken dat u bij schrijven van 12 augustus 1992

bent uitgenodigd om uw bezwaarschrift nader mondeling toe te lichten.

Op 18 augustus 1992 heeft u uw bezwaarschrift telefonisch nader toegelicht.

Voorts is ons gebleken dat het horen naar aanleiding van een

bezwaarschrift bij gemeentelijke verordening in uw gemeente is opgedragen

aan de behandelende ambtenaar van de sectie bezwaar. Gezien bovenstaande

zijn wij van oordeel dat u voldoende in de gelegenheid bent gesteld om uw

bezwaren mondeling toe te lichten.

Omtrent uw stelling dat is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel

doordat uw gewezen mede-vennoot de heer Van [P. ] bij gelijke

omstandigheden zijn uitkering die hij ontving via een andere gemeente niet

hoeft terug te betalen, merken wij op dat hiervan geen sprake kan zijn

omdat de ter vergelijking genoemde beslissing niet door burgemeester en

wethouders van uw gemeente is genomen. Bovendien komt aan burgemeester en

wethouders bij de toepassing van de ABW een eigen verantwoordelijkheid

toe.".

Appellant kan zich niet met dit besluit verenigen. Met betrekking tot de

gronden waarop dit beroep berust verwijst appellant naar hetgeen door hem

in bezwaar en beroep is aangevoerd.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het BZ nemen burgemeester en

wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de in de vorm van een

renteloze lening verstrekte bijstand. Daartoe wordt na afloop van het

boekjaar aan de hand van de jaarrekening over het boekjaar het inkomen uit

bedrijf of beroep definitief vastgesteld. Blijkens de Nota van Toelichting

van het BZ behoeft

een boekjaar niet samen te vallen met het kalenderjaar en wordt bij de

toepassing van dit besluit aangesloten bij het boekjaar waarvoor de

zelfstandige heeft gekozen.

In artikel 8, eerste lid, van het tot gedingstukken behorende vennootschapscontract

is bepaald dat het boekjaar van de vennootschap samen valt

met het kalenderjaar, behoudens het eerste boekjaar, dat zal lopen van de

dag van aanvang der vennootschap tot het einde van het lopende kalenderjaar.

Geheel in overeenstemming met deze bepaling is door het administratiekantoor

van de vennootschap per 31 december 1991 de balans opgesteld

alsmede over de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1991 de

winst- en verliesrekening. Gelet op de keuze die appellant en zijn

mede-vennoten aldus hebben gemaakt ter bepaling van de eerste boekperiode

van de vennootschap is er geen reden om achteraf alsnog uit te gaan van een

boekjaar dat loopt van 1 augustus 1991 tot 1 augustus 1992.

Ter zitting heeft appellant nog verwezen naar de in het ondernemingsplan

opgenomen liquiditeitsprognose welke een periode van 12 opeenvolgende

maanden bestrijkt beginnende bij augustus 1991. Hieruit kan naar het

oordeel van de Raad echter niet worden afgeleid, dat voor de vennootschap

een boekjaar is gekozen dat loopt van 1 augustus 1991 tot 1 augustus 1992.

Voorts heeft appellant nog aangevoerd dat het vennootschapscontract eerst

in november 1991 aan de GSD ter hand werd gesteld, doch ook dit is geen

omstandigheid op grond waarvan geen rekening behoeft te worden gehouden met

de in dit contract met betrekking tot het boekjaar uitdrukkelijk gemaakte

keuze.

De Raad is dan ook met gedaagde van oordeel dat het College terecht

overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van het BZ het

aandeel van appellant in de winst van de vennootschap heeft vastgesteld aan

de hand van de jaarrekening over de periode van 1 augustus 1991 tot en

met 31 december 1991.

Artikel 24 van het BZ, welk artikel ten aanzien van beginnende zelfstandigen

afwijkende bepalingen bevat, biedt geen basis om af te wijken van de

in artikel 21, eerste lid, van het BZ voorgeschreven berekeningswijze.

Met betrekking tot de grief van appellant inzake het bij het bepalen van de

hoogte van zijn inkomen in aanmerking nemen van een bepaald bedrag in

verband met het privé-gebruik van een bedrijfsauto overweegt de Raad het

volgende.

In de Nota van Toelichting van het BZ is aangegeven dat onder bedrijfs- of

beroepsinkomen moet worden verstaan:

"alle bedrijfs- of beroepsbaten verminderd met de bedrijfs- of beroepslasten,

inclusief de afschrijvingen naar goed koopmansgebruik, maar exclusief

de aflossingen."

Op grond hiervan moet worden aangenomen dat privé-kosten niet ten laste van

de bedrijfswinst mogen worden gebracht.

Blijkens de door appellant ingediende jaarrekening bedroegen de autokosten

f 15.297,76, op welk bedrag blijkens de jaarstukken overeenkomstig de

door de fiscus gehanteerde regels een forfaitair bedrag van f 4.288,- in

mindering is gebracht in verband met privé-gebruik van de beide bedrijfsauto's.

Van dit laatste bedrag is f 878,84 bij het inkomen van appellant gevoegd.

Appellant heeft voorts geen zogeheten kilometeradministratie bijgehouden

zodat niet is aangetoond dat het in de jaarstukken genoemde bedrag van f

15.297,76 verband houdt met uitsluitend ten behoeve van de vennootschap

gemaakte autokosten.

In beroep voert appellant dienaangaande nog aan dat het College eerst

achteraf naar voren heeft gebracht dat de bijtelling had kunnen worden

vermeden, indien hij een kilometeradministratie had bijgehouden. Appellant

stelt dat hij op geen enkele manier is geïnformeerd dat deze

mogelijkheid bestond.

De Raad wijst er evenwel op dat, nog daargelaten dat de administratie van

de vennootschap is geschied door een administratiekantoor waarvan mag

worden aangenomen dat deze op de hoogte is van de ter zake bestaande

mogelijkheden, appellant in zijn aan gedaagde gerichte beroepschrift onder

meer heeft aangegeven dat gelet op de geringe omvang van de inkomsten van

vennoten de bijtelling vrijwel geen invloed zou hebben op de

belastingaangifte en dat om die reden geen kilometeradministratie is

bijgehouden. De Raad kan hieruit niet anders afleiden dan dat appellant

reeds eerder dan de beslissing van het College van 6 november 1992 op de

hoogte was van de mogelijkheid van het bijhouden van een kilometeradministratie,

doch hiervan bewust heeft afgezien.

Gedaagde heeft dan ook in navolging van het College terecht besloten dat

het in de jaarrekening vermelde bedrag aan autokosten dient te worden

gehandhaafd op f 11.009,76.

Appellant voert voorts als grief aan dat bij de bepaling van de hoogte van

zijn inkomen ten onrechte geen rekening is gehouden met de hoogte van het

bedrag aan eigen risico in het kader van zijn ziektekostenverzekering en

alleen in aanmerking is genomen de hoogte van de door hem betaalde premie.

Dienaangaande overweegt de Raad dat op grond van het bepaalde in artikel 4,

vierde lid, van het Bijstandsbesluit landelijke normering slechts rekening

kan worden gehouden met het bedrag van de ten laste van appellant

blijvende premie van diens ziektekostenverzekering. Voor het tevens

rekening houden met de hoogte van het bedrag aan eigen risico biedt

evengenoemde bepaling dan ook geen ruimte.

Door appellant wordt overigens nog aangevoerd, dat hij bij de behandeling

van zijn tegen de beschikking van

14 mei 1992 gerichte bezwaarschrift niet door het College is gehoord en

evenmin door de Commissie Zelfstandigen die het College inzake de

toepassing van het BZ adviseert. Wel heeft hij zijn bezwaarschrift

telefonisch bij de behandelend ambtenaar van de Afdeling Bezwaar en Beroep

van de GSD toegelicht, doch dit acht hij onvoldoende.

Hieromtrent overweegt de Raad dat noch uit de Algemene Bijstandswet (ABW),

noch uit de door de gemeenteraad van Amsterdam ten tijde in geding

geldende, op grond van artikel 38 (oud) van de ABW vastgestelde verordening

een verplichting valt af te leiden inhoudende dat appellant diende te

worden gehoord door de Commissie Zelfstandigen dan wel door het College.

Tenslotte heeft appellant evenals in zijn aan de behandelend ambtenaar van

de Afdeling Bezwaar en Beroep van de GSD gerichte brief van 3 september

1992 en in zijn aan gedaagde gerichte beroepschrift aangevoerd dat hij

van mening is dat, nu [P. ] de hem verstrekte bijstand niet

behoeft terug te betalen, hij zich er niet mee kan verenigen dat hij de

door het College verleende bijstand wel dient terug te betalen.

De Raad merkt op dat deze, ook aan het College en aan gedaagde gerichte

grief betrekking heeft op de terugvordering van ten onrechte ontvangen

bijstand. Ter zake hiervan is - zolang de ABW op dit punt niet is gewijzigd -

de burgerlijke rechter competent. Gedaagde had dan ook de beslissing

op bezwaar dienen te vernietigen in zoverre en het daarop betrekking

hebbende bezwaar alsnog niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De Raad zal

daarom in zoverre het bestreden besluit en de beslissing op bezwaar

vernietigen en appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren in dat

bezwaar.

De Raad is niet gebleken van aan de zijde van appellant gevallen proceskosten,

zodat geen termen aanwezig zijn voor een proceskostenveroordeling

op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Tenslotte stelt de Raad vast dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen

alsmede gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb , het door

appellant gestorte griffierecht ad f 50,-- door de provincie Noord-Holland

dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit en de

beslissing van het College van 6 november 1992 voorzover deze betrekking

hebben op de terugvordering van verleende bijstand;

Verklaart het bezwaar van appellant tegen de beschikking van 14 mei 1992

van het College in zoverre alsnog niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Bepaalt dat de provincie Noord-Holland aan appellant het door hem gestorte

griffierecht ad f 50,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en

mr G.A.J. van den Hurk en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid

van T.W.J.M. Weijers als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 1995 door voornoemde voorzitter, in

tegenwoordigheid van A.H. Berends als griffier.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.H. Berends. (get.) T.W.J.M. Weijers.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature